Voorrang voor echtscheidingsconvenant of huwelijkse voorwaarden?

Printvriendelijke versie

Soms wijkt bij een scheiding het echtscheidingsconvenant af van de huwelijkse voorwaarden waaronder de ex-partners waren getrouwd. Daar is op zich niks mis mee. Het komt echter ook voor dat een van de ex-echtgenoten na het sluiten van een echtscheidingsconvenant met zijn of haar partner toch op de afspraken in het convenant terugkomt met een beroep op de huwelijkse voorwaarden. Hoe sterk is dat beroep?

Een echtscheidingsconvenant is een vaststellingsovereenkomst. Daarover bepaalt de wet dat deze vernietigbaar is als van een van de partijen – gegeven de omstandigheden waarin de afspraken zijn gemaakt – in alle redelijkheid en billijkheid niet daaraan gebonden mag worden. Uit talloze uitspraken van rechters blijkt dat vernietiging niet zo snel plaatsvindt. Als dat wel gebeurt, is er sprake van ernstige gebreken.
Uit diezelfde uitspraken wordt duidelijk dat een beroep op de oorspronkelijke huwelijkse voorwaarden geen stand houdt als een klager niet méér kan aandragen dan dat het echtscheidingsconvenant afwijkt van die voorwaarden. Dat wordt nog versterkt als het convenant is opgesteld door de gezamenlijke advocaat van partijen, beide ex-partners het convenant met de advocaat hebben besproken en er geen tijdsdruk op het maken van het convenant stond. Allemaal redenen waarom van huwelijkse voorwaarden afwijkende afspraken in een echtscheidingsconvenant niet voor vernietiging in aanmerking zullen komen.

Naast deze feitelijke benadering moet er ook gekeken worden naar hoe de verhouding van partijen in het convenant is geregeld. Dat hangt onder meer af van wat partijen hebben verklaard en uit die verklaringen mochten afleiden. In deze benadering wordt vooral gekeken naar wat redelijk en billijk is. De uitkomst van deze afweging weegt zwaar in het oordeel van de rechter.

Wilt u meer weten over de relatie tussen huwelijkse voorwaarden en het echtscheidingsconvenant? Bel ons voor het maken van een afspraak.

Bron: Opmaat Personen- en familierecht, nieuws 2014/145; RBOVE:2014:970