Toekomst van belang bij bepaling ANBI-status

Printvriendelijke versie

Steeds vaker richten partners bij testament een stichting op die gaat fungeren als hun erfgenaam. Dergelijke stichtingen beogen – statutair – vrijwel altijd een algemeen nut. De (opbrengst van de) nalatenschap moet door de stichting voor dat doel worden aangewend. In het testament wordt dan bepaald dat, wanneer de eerste partner overlijdt, de stichting de nalatenschap verkrijgt onder de last van vruchtgebruik daarvan ten gunste van de langstlevende partner. De stichting krijgt dan een al dan niet renteloze, niet-opeisbare geldvordering op de langstlevende partner.

Wat zijn nu de gevolgen voor de erfbelasting bij overlijden van de eerste partner? Kan de stichting eigenlijk op dat moment wel worden aangemerkt als algemeen nut beogende instelling (ANBI)? De stichting kan immers pas na het overlijden van de tweede partner daaruit voortvloeiende activiteiten gaan ontplooien. Dat zou betekenen dat de langstlevende partner over de nalatenschap erfbelasting verschuldigd is.
De stichting wil juist specifiek ter gelegenheid van de verkrijging – bij overlijden van de eerste partner – als ANBI worden aangemerkt. De stichting kan dan alleen nog geen feitelijke handelingen verrichten. Dat kan niet zolang de verkrijging met het recht van vruchtgebruik is belast en daarmee de vordering nog niet opeisbaar is.
Het is in verband met de erfbelastingvraag van belang of het op het moment van verkrijging de verwachting gerechtvaardigd is dat daadwerkelijk volgens het statutaire doel gehandeld zal worden. Daarbij kunnen alle omstandigheden van het concrete geval een rol spelen. Feiten of omstandigheden die zich hebben voorgedaan na de verkrijging kunnen licht werpen op de gerechtvaardigdheid van de bedoelde verwachting op het moment van de verkrijging.

Wilt u hier meer over weten? Bel ons! Wij geven u inzicht in de juridische en fiscale aspecten bij het realiseren van een ANBI-status voor uw instelling.

Bron: Notamail 2011-286